Chinese alchemie

De eerste Chinese alchemisten waren taoïsten

In ons overgeleverde alchemistische verhandelingen die dateren van ongeveer 317-332 na Christus, maakt Ko Hung, die schrijft onder het filosofische pseudoniem Pao P'u Tzu, onderscheid tussen drie soorten alchemie: 

  1. de bereiding van een vloeibaar goud, dat het leven verlengt; 

  2. de productie van kunstmatige cinnaber, het 'levengevende' rode pigment, voor gebruik bij het maken van goud; 

  3. transmutatie van onedele metalen in goud. 

In de tiende eeuw leidde exoterische alchemie (wai tan) tot esoterische alchemie (nei tan), volgens welke de 'zielen' of 'essenties' van kwik, zwavel, lood, enz. zich verhouden tot de gewone metalen zoals de taoïstische of vervolmaakte man zich verhoudt tot de gewone sterveling. In een verdere evolutie aan het einde van de elfde eeuw werden de  transcendentale metalen geïdentificeerd met verschillende delen van het menselijk lichaam.

De vroegste Chinese alchemisten lijken dus de taoïsten geweest te zijn. Aan de oorsprong van deze traditie zou de wijze Lao Tzu liggen, die leefde omstreeks 550 v.Chr. De beschrijvingen van de Tao (de weg) hebben veel gemeen met de prima materia zoals bijvoorbeeld Paracelsus ze opvatte, namelijk als 'de Moeder van Alle dingen' waarbij alle dingen geschapen zijn uit een enkele materie.

Terwijl de westerse alchemie uitgaat van 4 elementen en 3 principes, maakt de Chinese alchemie gebruik van de elkaar complementerende principes van yin en yang. Yin representeert hierbij het passieve, vrouwelijke element, en yang het actieve mannelijke. (In de westerse alchemie vinden we ditzelfde idee terug onder verschillende namen: sulfur en mercurium, het vaste en het vluchtige, Sol en Luna, Koning en Koningin.)

 

Westerse en Chinese alchemie: een gemeenschappelijke oorsprong?

 

Deze ideeën doen zo sterk denken aan de leerstellingen van de westerse alchemie dat er vaak een gemeenschappelijke oorsprong wordt verondersteld voor de twee stromingen. Sommige onderzoekers zijn van mening dat alchemistische ideeën in de tweede of derde eeuw voor Christus vanuit Egypte, Mesopotamië of India in China zijn doorgedrongen; en dat de eigenlijke alchemie China vanuit het westen bereikte in de achtste eeuw na Christus door middel van Arabische handelsschepen. Aan de andere kant is er de theorie dat alchemie eerst in China ontstond, vanuit de filosofie van het taoïsme, en zich vervolgens naar het Westen verspreidde. Zo zou het idee van een levenselixir wel eens uit China afkomstig kunnen zijn.