De ondergang van de westerse alchemie vanaf de 17e eeuw werd veroorzaakt door de opkomst van de moderne wetenschap met haar nadruk op strenge kwantitatieve experimenten en haar minachting voor "oude wijsheid". Hoewel deze ontwikkeling al in de 17e eeuw begon, zou de alchemie nog 200 jaar aanhangers voor zich winnen en in feite beleefde zij in de 18e eeuw nog een hoogtepunt. Nog in 1781 beweerde James Price een poeder gemaakt te hebben dat kwik in zilver of goud kon transmuteren.

Robert Boyle (1627-1691), bekend voor zijn studie van gassen, was de pionier in de toepassing van de wetenschappelijke methode bij chemisch onderzoek. Met hem en wetenschappers als Antoine Lavoisier en John Dalton begon de moderne scheikunde. Wat velen niet weten, is dat de grote natuurkundige Isaac Newton ook een groot alchemist was en minstens evenveel tijd besteedde aan 'occulte' wetenschappen als astrologie en alchemie als aan zijn wetenschappelijk' werk.