Korte geschiedenis

De oorsprong van alchemie in de westerse cultuur is terug te voeren tot Alexandrië en het hellenistisch Egypte rond 300 voor Christus. In deze Grieks-Egyptische cultuur werd de alchemie ontwikkeld tot een kunst en wetenschap. Op hun beurt raakten de Arabieren geïnteresseerd in alchemie toen ze Alexandrië veroverden op het Byzantijnse rijk. De islamitische alchemistische praktijk was tegen het jaar 750 al goed ingeburgerd. Het zou echter nog tot de 12e eeuw duren vooraleer de alchemie doordrong tot heel Europa, en dit onder impuls van de Arabieren vanuit Spanje en Zuid-Italië. De pauselijke bul van Johannes XXII in 1317 verbood echter de beoefening van de alchemie, waardoor alchemisten gedwongen waren een verborgen bestaan te gaan leiden.

Het klimaat veranderde en tegen het einde van de zestiende en het begin van de zeventiende eeuw was alchemie een intellectueel respectabele, zij het controversiële discipline geworden. Sterker nog: vanaf toen beschouwde men alchemie als een belangrijk wetenschappelijk en filosofisch denksysteem dat  werd onderwezen aan de universiteiten. Alchemie leverde een verklaringsmodel voor verschillende processen en relaties in de kosmos en op aarde, en werd van groot belang voor het onderzoek naar chemische substanties. 

Alchemie ontpopte zich niet alleen als esoterische filosofie, maar leverde ook een aanzienlijke bijdrage aan het onderzoek naar telkens nieuwe medicijnen, het begrijpen van processen in de natuur en de metallurgie. Een toonaangevende persoonlijkheid uit de Renaissance is Paracelsus die een pionier was in het gebruik van chemicaliën en mineralen in de geneeskunde.Alchemie kende een ware bloeiperiode in het Europa van de 16e en 17e eeuw.  Het verlichtingsdenken en de verwetenschappelijking van de wereld vanaf de 18e eeuw maakten een einde aan die bevoordeelde positie (lees hierover: Ondergang van de westerse alchemie). 

Lees verder: